Schildertip 13 | Vorm Modelleren

Door Dennis Portaels.

 

In de vorige schildertip hebben we de theorie van Fechin in de praktijk gebracht en de grote kleurvlakken van het schilderij ingevuld met een impressionistische feel.

Hoe gaan we nu verder met deze techniek? Wanneer voeg je “details” in je werk toe, zonder daarbij de grotere harmonie te verliezen? Ook al kan het heel verleidelijk zijn om tijdens het schilderen al heel vroeg details aan te brengen, dit is in de regel toch af te raden. Simpelweg omdat je daarmee het fundament van je schilderij vergeet op te bouwen en je werk zodoende al snel de vorm en stevigheid verliest.

Speciaal om die reden zijn er drie stappen aan te reiken bij het modelleren:

 

1.   Big form modelling
2.   Mid form modelling
3.   Small form modelling

 

Andrea_Verrocchio_-_Head_of_a_Woman,_British_Museum
Andrea Verrocchio, Head of a Woman, British Museum

 

1. Big form modelling is het neerzetten van de allergrootste kleurenvlakken, zoals we in tip 12 deden.
2. Mid form moddeling is het aanbrengen van de middel-grotere structuren. Zoals bijvoorbeeld de bal van een oog, de goudklomp structuur van een neus en de cylinder van de mond.
3. Pas als allerlaatste stap voegen we details, of kleine elementen toe. Zoals bijvoorbeeld wimpers, de iris enzovoort.

 

Deze drie stappen gebruiken we dus om tijdens het schilderen steeds de vorm in gedachte te houden. Net als bij het schrijven maken ook schilderen en tekenen gebruik van een alfabet. Alleen bestaat het alfabet van het schilderen niet uit 26 maar uit slechts 2 basis symbolen, om alle vormen in de natuur mee weer te geven. Onze twee symbolen zijn: het blok en de bol. Elke andere vorm die er bestaat is een variatie of combinatie van deze twee vormen.
Het is dus aan te raden om tijdens het schilderen altijd een duidelijke keuze te maken welk basis symbool je wilt gebruiken om een object te “renderen” of modelleren. Met renderen bedoelen we het invullen met toon om vorm te benadrukken. Bijvoorbeeld, de big form bij het schilderen van een portret is het hoofd. De vorm van een volledige hoofd is min of meer ei-vormig. Deze vorm benaderen we dus als een bol. Een mid form, zoals bijvoorbeeld een neus in ons portret, zou je kunnen zien als een als een klomp goud, waardoor we die vorm eerder als een blok benaderen.
De beste manier om de verschillen tussen deze twee manieren van renderen te leren is door een simpele houten kubus en een bol onder een lamp te plaatsen en studies te maken. Je zal zien dat de schaduwen van de cirkel veel zachter zijn en meer variatie hebben in de schaduwlijn. Let op, het is natuurlijk geen voldongen feit dat de big form van een gezicht ‘altijd’ ei-vormig is!

Vergelijk maar eens de werken in deze tip van de grootmeesters Andrea del Verrocchio en Albrecht Dürer:

 

Albrecht_Dürer_-_Head_of_an_Old_Man,_1521_-_Google_Art_Project

 

Hier is mooi te zien dat Verrocchio koos voor de toepassing van de bolvorm terwijl Dürer voor de blokvorm koos. Beide zijn kwalitatief even goed, maar laten ons duidelijk hun keuze zien van de basisvorm van hun portret.

Daarvan kunnen we leren dat: “Voordat je een penseelstreek of potloodlijn neerzet, is het een enorme hulp om te weten welke vorm je gaat gebruiken. Want zonder een duidelijke keuze gaat je werk er sneller vormloos uitzien.”

 

Probeer het zelf maar eens,

 

Veel schilder plezier!

 

 

 

 

FacebooktwitterFacebooktwitter